Nico, 1987

18 maart 2018 – vers in de Brusselse bioscopen: Nico, 1988.
Ik ben niet zo van de biopics, maar Nico en 1988…, dat voert me terug naar, welja, Nico en… 1987 – het grootste deel van de film speelt zich ook in 1987 af, trouwens.

In de film zien we hoe een verliefde clubeigenaar zich na een optreden van Nico als haar manager opwerkt, en haar met band in een busje op tournee door Europa stuurt – haar laatste zou blijken. 
Met band in een busje.
Dus geen ‘tourbus’, zo’n 3-sterrenhotel op wielen, maar gewoon, een ‘bandbusje’, met achterin ruimte voor instrumenten en versterkers, een tussenschot, en dan stoelen voor de gehele band plus eventueel roadie(s) en een (zaal)mixer, (en in Nico’s geval haar management).
Precies zo’n busje als waarin wij – de band waar ik destijds in speelde – rondreden.

14 maart 1987, Parijs (ik heb mijn oude agenda er op nagekeken).
We zouden die avond optreden in La Locomotive, een rock-georiënteerde nachtclub annex discotheek en concertzaal in de kelders onder – of eigenlijk naast – de befaamde Moulin Rouge. In januari 2010 is de club omgedoopt tot La Machine du Moulin Rouge, zie ik nu – dit geheel terzijde.

Een week later – 21 maart 1987 leert het wereld wijde interweb – zou David Bowie op hetzelfde podium staan, een optreden in zijn ‘promotional press tour‘ voor zijn Glass Spider Tour. We verkeerden in goed gezelschap, wil ik achteraf maar zeggen (want wat kon die hele David Bowie mij destijds schelen).

Bon, Parijs hadden we bereikt met ons bandbusje, nu nog inchecken in het hotel. Daar had een andere band die had opgetreden in de Locomotive  juist uitgecheckt, en was nu bezig tassen en koffers in een vergelijkbaar bandbusje te laden: zij eruit, wij erin. 
Terwijl wij, tassen in de hal op de grond, aan de incheckbalie wat stonden te bakkeleien over de eenpersoonskamer – een vast ritueel, en voor de duidelijkheid: die wil je dus hebben – bemerkte ik dat mijn tas verdwenen was. Fuck, die heeft die andere band natuurlijk per ongeluk ingeladen. Ik was nog net op tijd buiten om het busje tegen te houden, en mijn tas terug te krijgen: ze hadden hem inderdaad samen met hun eigen bagage in hun busje gegooid. 
En toen zei ineens iemand op gedempte toon: Shit, dat is Nico!
Want zij was het. Nico, 1987, Parijs. En die band haar band.

We waren van ver gekomen, het was ondertussen al donker. En terwijl haar bandbusje wegreed, kloste Nico de trappen van de Montmartre af, kolossaal, pafferig, hijgend als een astmatisch paard – ze had blijkbaar nog iets te zoeken in nachtelijk Parijs. Die gaat zo dood op die trappen neervallen, dacht ik nog. Ik zag het ook voor me: zeer filmisch, die zwarte schaduw die puffend afdaalde op die fotogenieke trappen.
Toen een jaar later, in 1988, het bericht de wereld rond ging dat Nico was overleden, was ik dan ook niet verbaasd. Tot ik hoorde hoe het gegaan was: een hersenbloeding nadat ze van haar fiets was gevallen op Ibiza (of all places)!

In de film reist Nico nog door naar Praag, en verdomd…, ook daar traden wij op, en wel op  – ik pakte mijn agenda er weer bij – 1 april 1989. Nico was toen al van haar fiets gestort, maar de filmscènes van dat optreden zijn ongeveer een kopie van ons optreden daar. Exact zo’n zaal,  exact zo’n kleedkamer, dezelfde nerveuze spanning bij de organisatoren. Zo ontdekte ik ineens dat het eigenlijk een half illegaal festival betrof – de handgeschreven ‘festival posters’ hadden al een voorteken kunnen zijn – toen we via een’ tolk’ begrepen dat ons concert misschien niet door zou gaan omdat de politie elk moment kon binnenvallen.
En precies hetzelfde soort publiek dat geheel vrij van westers blasé dolblij en wildenthousiast was over elke noot die er voor hen gespeeld werd, zelfs al was het de verkeerde. Dat was niet gewoon ‘hard feesten’, dat ging daar ergens over.
Niks no future!, maar precies het tegendeel.

Ik hoorde daarna nog dat het op het Wenceslasplein lang onrustig was die nacht. Er hing iets in de lucht daar in Praag, een jeugdige opstandigheid vermengd met vele snufjes uitdagend optimisme en een vleugje wereldrevolutie.

Enkele maanden later zou in Berlijn de muur vallen.

Terug naar Parijs, dat hotel, die nacht, Nico, 1987.
Nu band en zangeres in de Parijse nacht waren verdwenen, bedacht ik me dat het wel een goed verhaal was om later te kunnen zeggen dat ik in Nico’s bed had geslapen. Ik snelde naar de receptie, die eenpersoonskamer mocht de gitarist hebben; wist de receptie in welke kamer Nico geslapen had, en kon ik die krijgen?

Ik vrees dat het typerend voor mij is dat ik niet eens meer weet hoe dat toen is afgelopen, want een goed verhaal is één ding, maar een bed is uiteindelijk gewoon een bed, nietwaar – en in het hotel zullen ze er ook zo over hebben gedacht.

Wel kan ik als iemand nu vraagt hoe dat toen was met dat bandje zeggen: kijk de film Nico, 1988. Precies, exact zo – en dat zal voor meer bandjes gelden, neem ik aan; ik denk hierbij ook met een grijns aan de scène waarin Nico en band erachter komen dat ze niet in een hotel, maar bij een fan zijn ondergebracht; het enige dat daarbij ontbreekt, is dat die dan de hele nacht met je over muziek wil praten, en ondertussen zijn hele platencollectie wil laten horen, terwijl jij vooral zo snel mogelijk wil gaan slapen.